Borgverstrekker, betaal ‘tijdig’ bij faillissement van de opdrachtgever-wegvervoerder

Borgverstrekker, betaal ‘tijdig’ bij faillissement van de opdrachtgever-wegvervoerder

Het is intussen reeds lang geweten dat de overeenkomsten van onderaanneming in het kader van het wegvervoer, gewaarborgd zijn door de hoofdelijke borgtocht van de opdrachtgever-hoofdvervoerder.

Wanneer een hoofdvervoerder transporten toevertrouwt aan onderaannemers, is het de bedoeling dat deze onderaannemers een beroep kunnen doen op de borgtocht van de hoofdvervoerder, zelfs in de hypothese dat deze laatste zou beschikken over een vergunning van vervoerscommissionair.

 

Onder vigeur van het oude K.B. van 07/05/2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, heerste er heel wat onduidelijkheid over wat nu precies het tijdstip is waarop de hoofdelijke borg effectief diende over te gaan tot betaling in het geval van faillissement van een opdrachtgever/hoofdvervoerder.

Niettegenstaande artikel 18 §3 van het KB van 07/05/2002 bepaalde dat in het geval van faillissement, tot een evenredige verdeling wordt overgegaan tussen de schuldeisers die binnen de maand na de datum waarop de schuldvorderingen in het passief van het faillissement werden aanvaard, aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht, werd er niets bepaald over het tijdstip waarop de daaropvolgende betaling effectief diende te gebeuren.

Artikel 18 §3 lid 3 van het KB van 07/05/2002 bepaalde enkel dat de hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, de schuldeiser moet betalen binnen de 60 dagen na het verstrijken van het in het 1e lid bedoelde termijn.

Hieruit kon worden besloten dat de hoofdelijke borg die de aanspraak op de borgtocht niet betwist, de schuldeiser moet betalen binnen de 60 dagen nadat overgegaan is tot evenredige verdeling tussen de schuldeisers bij faillissement.

Wanneer die evenredige verdeling dan wel diende te gebeuren : hierover bleef de wettekst onduidelijk.

De situatie werd er niet makkelijker op wanneer meerdere schuldeisers aanspraak maakte op de borgtocht, en één of meer van de aanspraakmakende schuldeisers ten onrechte van mening waren dat hun vordering gedekt werd door de borgtocht.

Wanneer de vordering van een schuldeiser niet voldoet aan de voorwaarden waaraan deze diende te voldoen volgens het K.B., en hierover verschillende interpretaties bestaan, gaf dit in de praktijk vaak discussies tussen de schuldeisers onderling.

Nogal eens dikwijls bleven in dergelijke gevallen zowel de curator alsook de borgverstrekker (bank) passief aan de zijlijn staan, in de ijdele hoop dat de schuldeisers onderling wel tot een akkoord zouden komen

 

Intussen liep de tijd, bleven sommige vervoerders verstoken van hun noodzakelijke financiële middelen, en kon niemand ter verantwoording worden geroepen voor de schade (het uitblijven van de betaling) die de bonafide wegvervoerder leed.

 

Een aangesloten lid van UPTR verkeerde in deze situatie, en gaf zijn raadsman opdracht over te gaan tot het deblokkeren van deze situatie.

 

Ingevolge de onduidelijkheid van het KB van 07/05/2002 aangaande het precieze tijdstip van betaling bij faillissement, ging zijn raadsman over tot dagvaarding van de borgverstrekker in betaling van nalatigheidsinteresten, daar de borgverstrekker pas ongeveer 3 jaar na het faillissement (!) overging tot betaling van hetgeen zij diende te betalen op basis van het ontwerp van evenredige verdeling.

In een opmerkelijk (niet-gepubliceerd en definitief) vonnis dd. 17/06/2014 heeft de 20e kamer van de Nederlandstalige Rechtbank Van Koophandel te Brussel geoordeeld dat het 1e PV van verificatie in aanmerking dient te worden genomen, en dat er een evenredige verdeling plaats diende te vinden binnen de maand na het 1e proces-verbaal van verificatie.

De rechtbank oordeelde dat de borgverstrekker binnen de maand na het 1e PV van verificatie een evenredige verdeling kon opstellen, en kon overgaan tot betaling van hun deel aan de schuldeisers waarvan zij de aanspraken niet betwiste, terwijl het deel van de schuldeiser die ten onrechte aanspraak maakte kon worden ‘gereserveerd’ (dus niet betaald).

De borgverstrekker diende aldus het verloop van de betwisting (en eventuele gerechtelijke procedure) tussen de schuldeisers onderling, niet af te wachten om al over te gaan tot betaling van het deel van de bonafide schuldeisers.

Indien na afloop van de betwisting met de malafide schuldeiser, zou blijken dat de betwisting terecht was, kon zij het voor die malafide schuldeiser in de verdeling gereserveerde deel alsnog onder de andere schuldeisers herverdelen.

De rechtbank kende dan ook interesten toe vanaf de ingebrekestelling door de raadsman.

Deze zienswijze kan alleen maar worden goedgekeurd en toegejuicht.

De borgverstrekker heeft geen enkele reden om bij betwisting tussen de schuldeisers passief aan de zijlijn te gaan staan, zonder dat zij hieromtrent nadien verantwoording dient af te leggen en nalatigheidsinteresten dient te betalen.

 

Haar verplichting om te betalen vloeit immers voort uit de wet.

 

De wetgever heeft nu deze onduidelijkheid geremedieerd in het nieuwe Koninklijk Besluit.

In uitvoering van de nieuwe wet van 15/07/2013 betreffende goederenvervoer over de weg, kwam het Koninklijk Besluit van 22/05/2014 tot stand, hetwelk in werking treedt vanaf 01/09/2014.

Het Koninklijk Besluit van 22/05/2014 bevat aangaande de borgtocht een nieuwigheid ten opzichte van het opgeheven KB van 07/05/2002.

Thans bepaalt artikel 16 § 2 van het nieuwe KB, het volgende:

§2

Behoudens bij toepassing van de bepalingen van het derde lid, worden de aanspraken op de borgtocht afgehandeld volgens de datum van afgifte van de aangetekende zending gericht aan de hoofdelijke borg; de postdatum geldt daarbij als bewijs.

Behoudens bij toepassing van de bepalingen van het derde lid wordt, indien verscheidene aanspraken op dezelfde datum op de post werden afgegeven en het bedrag van de borgtocht onvoldoende is, tot een evenredige verdeling tussen de betrokken schuldeisers overgegaan.

Bij faillissement van de onderneming wordt tot dertig dagen na de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen:

voorrang gegeven aan de schuldeisers die aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig paragraaf 1, 1°;

tot een evenredige verdeling overgegaan tussen de schuldeisers die aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig paragraaf 1, 2°.

§3

De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen zestig dagen na ontvangst van die aanspraak, of, in het in paragraaf 2, derde lid, 2°, bedoelde geval, binnen negentig dagen na de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen.

 

Schuldeisers die hun vordering aantonen door middel van een bewijs van aanvaarding in het passief van het faillissement zullen de borgtocht pas kunnen aanspreken nadat het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen werd neergelegd.

 

Op die manier wordt voorkomen dat schuldeisers zouden benadeeld worden bij gefaseerde aanvaarding van de schuldvorderingen. Er zal vervolgens tot een evenredige verdeling worden overgegaan tussen deze schuldeisers mits zij de borgtocht rechtsgeldig aanspreken binnen een termijn van dertig dagen volgend op de datum van neerlegging van dit laatste proces-verbaal. Zodus beschikken deze schuldeisers over dezelfde redelijke termijn om gelijke rechten te doen gelden zonder dat een wedloop naar de borgtocht hoeft te ontstaan in de eerste dagen na neerlegging van dit laatste proces-verbaal (§ 2, derde lid, 2°). Deze regel is een afwijking op het principe prior tempore, potior iure.

 

In de praktijk zal de schuldeiser die aanspraak maakt op de borgtocht, steeds de datum kennen van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen, aangezien hij 1) het bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van het faillissement, samen met 2) een attest houdende bevestiging van de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen, samen dient over te maken aan de hoofdelijke borg per aangetekend schrijven om rechtsgeldig aanspraak te kunnen maken.

 

Artikel 16 § 1 van het nieuwe KB van 22/05/2014, bepaalt immers het volgende:

Op de borgtocht kan alleen aanspraak worden gemaakt door de houders van de in artikel 15 bedoelde schuldvorderingen, op voorwaarde dat de onder 1° of 2° bedoelde stukken per aangetekende brief worden gericht aan de hoofdelijke borg bedoeld in artikel 13:

een ten laste van de onderneming in België genomen, zelfs niet-uitvoerbare, rechterlijke beslissing, voortvloeiend uit een procedure waarvan de akte van rechtsingang dateert van vóór het faillissement van de onderneming;

een bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van het faillissement, samen met een attest houdende bevestiging van de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen; deze beide documenten moeten zijn opgesteld door de curator of door de rechtbank van koophandel.

 

De betaling bij faillissement van de opdrachtgever/wegvervoerder zal in het kader van het nieuwe KB (hetwelk inwerking trad op 01/09/2014) niet noodzakelijk sneller gaan dan vroeger, maar het tijdstip waarop de betaling dient te gebeuren, is wel duidelijk bepaald.

Dit in de wetenschap dat de wet van 06/12/2005 tot wijziging van de faillissementswet van 08/08/1997 voorziet in 5 processen verbaal van verificatie. Het 1e proces-verbaal situeert zich op een achttal weken na de datum van het faillissement. Daarnaast volgde er nog 4 om de 4 maanden, te rekenen vanaf de datum van het 1e proces-verbaal van nazicht van schuldvorderingen, en dit gedurende de daaropvolgende 16 maanden.

Schuldeisers die aanspraak maken op de borg hebben nu de zekerheid betaald te worden binnen de 60 dagen nadat een evenredige verdeling is tot stand gekomen tussen de schuldeisers die aanspraak maken op de borg.

De evenredige verdeling wordt thans – krachtens het KB van 22/05/2014 – opgemaakt binnen de 30 dagen na de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen.

Het is nu maar de vraag of borgverstrekkers zich ook effectief en spontaan aan deze duidelijke wetsbepalingen zullen houden, dan wel of andermaal de nuttige interventie van een advocaat vereist is?